“Mogen we dat ook al niet meer zeggen?!” Over inclusief taalgebruik is het laatste woord nog niet gezegd – of geschreven. Sommigen ervaren het als een mijnenveld vol verboden woorden en geforceerde formuleringen. Nochtans is er niet veel nodig om ervoor te zorgen dat je doelgroep zich aangesproken voelt. Geen loutere ‘zeg niet dit, maar dat’-regeltjes, maar vooral een portie inlevingsvermogen. En misschien een paar praktische tips om je op weg te helpen.
Bij inclusief taalgebruik hou je bewust rekening met de diversiteit van je lezerspubliek. Door weloverwogen woordkeuzes te maken en stereotiepe bewoordingen te vermijden, zorg je ervoor dat je doelgroep denkt: ‘hé, die heeft het tegen mij’. Dat ze zich herkennen in je tekst. Dat ze met je boodschap aan de slag gaan. En da’s exact wat je als schrijver wil bereiken, toch? We geven je vier tips om de deuren van je tekst te openen voor het grote publiek. Welkom, lezer!
Noem een kat een kat (geen kater of kattin)
Een treinbegeleider kan een oproep openen met ‘beste dames en heren’. Maar de aanspreking ‘beste reizigers’ is in die context relevanter. Want iedereen in de wagon is per definitie een reiziger. Je kan een lezer niet in het verkeerde hokje duwen als hokjes simpelweg niet aan de orde zijn. Heb je het gevoel dat je in je tekst op eieren loopt? Misschien maak je het jezelf dan moeilijker dan het is. Wanneer een onderscheidend kenmerk – zoals gender, leeftijd of achtergrond – geen meerwaarde biedt in een bepaalde context, laat je het gewoon achterwege.
Hetzelfde geldt voor onnodige hij-slash-zij-formuleringen.
Je kan je zoon/dochter inschrijven vanaf 1 januari.
In een krampachtige poging om volledig te zijn, kunnen dergelijke zinnen hun doel net helemaal missen. Twee problemen. Eén: de verwoording is niet bepaald hoffelijk voor wie m/v te kort door de bocht is. Bovendien sluit je er opvoeders, voogden of pleegouders mee uit. En twee: ’t is een beetje omslachtig. Schuine strepen zijn een visueel struikelblok. Maakt het gender niet uit? Zeg dan ‘kind’. Lekker algemeen. Zo kan je ook leraar/lerares vervangen door leerkracht en verpleger/verpleegster door verpleegkundige. Wist je dat er zelfs een overkoepelend woord bestaat voor broers en zussen? Brus is het Nederlandse alternatief voor het Engelse sibling! Al moeten we toegeven dat het nog niet spontaan over onze tong rolt.
Inclusief schrijven is meer zeggen met minder
Dat je ‘die’ kan gebruiken om het binaire genderbeeld te doorbreken, dat wist je waarschijnlijk al. Maar ook de meervoudsvorm is een ideale manier om inclusief te zijn.
Als de huurder de opzegtermijn niet respecteert, moet hij een boete betalen.
Als huurders de opzegtermijn niet respecteren, moeten ze een boete betalen.
Of nog eenvoudiger: persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden gewoon schrappen. Met wat reorganisatie in je woordvolgorde vermijd je dat je zin grammaticaal uiteenvalt.
Zo kan de arts op afstand volgen en kan hij beschikbaar blijven voor andere patiënten.
Zo kan de arts op afstand volgen en beschikbaar blijven voor andere patiënten.
Een goede werkgever geeft zijn werknemers de kans om zich te ontwikkelen.
Een goede werkgever geeft werknemers de kans om zich te ontwikkelen.
Plak geen labels
Je bent meer dan je afkomst, je uiterlijk, je medische situatie of je gezinssamenstelling. Je bent een mens van vlees en bloed. Met passies, talenten, onzekerheden en toekomstdromen. Probeer personen dan ook niet te reduceren tot één element. Een eigenschap is geen eigennaam. Het zijn bijvoorbeeld geen allochtonen, maar personen met een migratieachtergrond. En geen gehandicapten, maar personen met een handicap of beperking. Iemand die een rolstoel gebruikt, is geen rolstoelpatiënt. Iemand met autisme is geen autist. Schrijf over mensen zoals je zelf beschreven wil worden: menselijk.
Hou het helder
Inclusief schrijven gaat over zoveel meer dan gevoelige woordenschat. Het gaat ook over leesbaarheid. Je boodschap mag nog zo inclusief geschreven zijn, als je complexe vaktaal, ellenlange zinnen of abstracte woorden gebruikt, verlies je nog steeds een deel van je publiek.
Een tekst op B1-niveau (eenvoudig Nederlands) is voor het grootste deel van de volwassenen begrijpelijk. Schrijf korte zinnen met actieve werkwoordsvormen, hanteer een logische woordvolgorde en gebruik B1-woordenschat. Of een woord B1 is, is soms moeilijk te zeggen. Wat voor jou vanzelfsprekend is – zoals het woord ‘vanzelfsprekend’ – levert iemand anders fronsende wenkbrauwen op. De website ishetb1.nl geeft je meer inzicht in de moeilijkheidsgraad van je woordenschat.
De juiste woorden openen deuren. Ze zetten een stoel bij aan tafel en nodigen lezers uit om 100% zichzelf te zijn. Hoe meer mensen je met je boodschap bereikt, hoe meer je als schrijver geslaagd bent in je opzet. Dat vraagt oefening. Inclusiviteit is, net als liefde (voor je medemens), een werkwoord.
Struikel je weleens over de inclusiviteit van je bewoordingen? Onze zinspelers ontwarren rommelige formuleringen, trekken schuine zinnen recht en maken van je copy een warm welkom, voor iedereen. Laat maar komen: dubbel@zinnig.be.
